Het Prado zoals je het nog nooit hebt gezien

Stap voor stap komt Madrid uit de lockdown, en daar hoort natuurlijk ook de heropening van musea bij. Het Museo del Prado kondigt dit groots aan. De speciaal voor de coronamaatregelingen samengestelde route draagt de naam Reencuentro, oftewel ‘Het wederzien’.

Op de achtergrond van de tentoonstellingsposters prijkt een detail van De overgave van Breda van Velazquéz waarop Justinus van Nassau en Spinola wel erg gemoedelijk vrede sluiten. Met dit broederlijke beeld zet het museum de toon: de route is als een lang uitgestelde ontmoeting met een goede vriend. Het Prado zoals je het nog nooit hebt gezien luidt de ondertitel. Nu er nog geen toeristen zijn, worden zij die al een band hebben met het museum als eerst verleid om terug te keren.

De coronamaatregelingen bij het bezoeken van de tentoonstelling zijn helder. Je maakt van tevoren een reservering voor een tijdslot, mag slechts in één richting lopen, de garderobe is dicht, mondkapjes zijn verplicht en bij binnenkomst wordt je temperatuur gemeten.

De uitgestippelde ‘coronaroute’ en instructies. © Museo del Prado

Dit leidt al direct al tot de beloofde niet eerder vertoonde ervaring: gegarandeerde rust en ruimte om elk schilderij goed te bekijken. Je hoeft ook niet meer te zoeken, want in plaats van de gebruikelijke geografische ordening in Spaanse, Italiaanse en Vlaamse afdelingen waar je gemakkelijk door de bomen het bos niet meer ziet, is een selectie van de collectie nu op de eerste verdieping te bewonderen als één grote eregalerij.

Het samenvoegen van de geografische georganiseerde collecties maakt dat de tentoonstelling niet alleen een nieuwe ontmoeting tussen collectie en publiek vormt, maar ook tussen de kunstwerken zelf. Goya hangt ineens naast Rubens, twee keer Saturnus die zijn kinderen opeet; Ribera naast Caravagio op een wand van sterke licht-donker contrasten en Peeters ontmoet Zurbarán bij een verzameling stillevens. Soms levert dat een verrassende kijk op. Het kale stilleven van Zurbarán steekt nu nog soberder en stiller af tegen de weelderige werken van Peeters. Zijn bijna dode Lam Gods vlak daarboven moet het nu afleggen tegen haar vers geslachte vogeltjes die op het punt staan geplukt te worden voor de maaltijd.

Voor een bezoeker die bekend is met het Prado is het een feest de werken eens in een andere ruimte te zien. Soms kun je meer afstand nemen, lijken de kleuren feller door de goed belichte galerij of komt door de nieuwe combinatie van werken een onderwerp op een nieuwe manier naar voren. Bij binnenkomst begroeten bijvoorbeeld Adam en Eva van Dürer je. Beiden aan een zijde van de poort heten ze je welkom in de nog onbevlekte schepping van de kunst. Daarachter stuit je echter direct op de tafel met de hoofdzonden van Jeroen Bosch die vervolgens weer omringd is met Christustaferelen die het probleem van de zondeval moeten oplossen. De grote afwezige is De tuin der Lusten. Durfden ze het niet aan het drieluik te verplaatsen?

Vorig jaar vierde Het Prado haar 200-jarige bestaan. In de jubileumtentoonstelling werd aandacht besteed aan de verschillende opstellingen van de collectie. Hoe hing het erbij tijdens de opening, de burgeroorlog en het bewind van Franco? Een jaar later is daar al een coronahoofdstuk aan toe te voegen. De vraag is of deze eregalerij-achtige opstelling uiteindelijk blijft bestaan. Voor het toerisme zou dat niet eens een gek idee zijn. Zo kunnen zij de topstukken veel makkelijker vinden, zoals in het Rijksmuseum al het geval is. Tegelijk doet zo’n pragmatische benadering natuurlijk af aan het romantische dwalen door en onverwachts stuiten op onbekendere werken. Een nauwere selectie geeft daarnaast ook een verkeerd beeld van de kunstcanon: alsof voor eens en voor altijd besloten is wat de meest belangrijke kunst is.

Wat mooi is aan deze opstelling, is dat het net als de andere opstellingen iets zegt over deze tijd. Een tijd waarin we ons nog steeds vergapen aan de weelderig geschilderde spieren van Rubens, de donkere taferelen van El Greco of het realisme van Velázquez, maar waarin ook in het verleden onderbelichte vrouwelijke schilders zoals Anguissola en Peeters een grote rol spelen. (De afgelopen jaren besteedde het museum al lijvige overzichtstentoonstellingen aan hen.) Ten slotte geeft het vorm aan het nieuwe normaal waarin we nu leven. Een tijd van het monitoren van beweging en lichaamstemperatuur en het aan banden leggen van het bijeenkomen van mensen. Het is natuurlijk maar de vraag of dat laatste goed voor de kunst is.

Auteur: Carmen van Bruggen

Carmen is docent kunst- en designtheorie. Ze geeft colleges en rondleidingen onder andere voor de IE University in Madrid. Bezoek voor meer info www.carmenvanbruggen.com

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.