Een bijna verloren wereld. Op bezoek bij de allerheiligste drie-eenheid

Ik schrijf dit op de brits in een sober kloosterkamertje met een paar Jezus-schilderijen boven mijn hoofd. Want voorwaar, we slapen vannacht in het heilige Convento de las Trinitarias in El Toboso, een klein dorp met een krappe 2000 inwoners op de grens van Toledo en La Mancha.

Aanvankelijk leek het dicht. Grote stenen muren, her en der zware eikenhouten poorten met diep ingeslagen gitzwarte nagels, zo dicht dat je er met een middelgrote stormram nog niet doorheen zou komen. Dus we waren hier voor niets naartoe gekomen, ondanks dat Maartje nog een paar keer gemaild (!) had met één van de zusters.

Uiteindelijk ging na een telefoontje de zware poort toch open en stond daar zowaar een non op ons te wachten. Heel vrolijk en nieuwsgierig, en dat was niet voor niets, want binnen deze orde van de trinitariërs mag men (tenzij voor doktersbezoek) het klooster niet uit. Dus de komst van buitenstaanders wordt hier hartelijk begroet als een nieuwe stroom van informatie. Desondanks wist Moeder Overste, met wie we (weliswaar achter tralies) een lang gesprek hadden, niet te breken met de zeer Spaanse gewoonte om meer te praten dan te luisteren of te vragen.

“Een bijna verloren wereld. Op bezoek bij de allerheiligste drie-eenheid” verder lezen

Terug naar school

Met een broodtrommel in de rugzak op de fiets naar school. Nadat ik als 18-jarige mijn VWO-diploma gehaald had, en het echte leven zou gaan beginnen, dacht ik dat de kleffe broodjes jam in een muf bakje voorgoed achter me zouden liggen. Nooit verwacht dat ik jaren later hier door het Madrileense Parque del Retiro elke dag op dezelfde manier naar mijn talenklasje zou rijden. En al even snel weer een hekel zou krijgen aan de eentonige smakeloosheid van aardbeienjam.

Mijn talenschool ligt in Salamanca, de wat duurdere wijk ten noorden van het Retiro-park. Door de smalle straten, met de allure van Parijs, lopen zakenmannen strak in pak en vrouwen met dikke jassen waar vaak nog een reepje bont op te bespeuren valt. Andere keren is het pluizige gedeelte één of ander minuscuul keffertje dat wordt opgetild om te voorkomen dat het iele beest onder de voet wordt gelopen door andere weggebruikers of tussen de spaken van mijn niets ontziende racefiets komt.

“Terug naar school” verder lezen

Bij de kapper

Het moest er toch eens van komen. In Nederland was er door de verhuisdrukte geen tijd meer voor. Maar er ontstond een aardig Haags matje in mijn nek. En tja, je moet je nieuwe talenkennis toch ergens oefenen, niet? Nou dan, geen angst, hup, naar de kapper. Woordenboek eerst nog even opengeslagen, voor je het weet zeg je ‘alles eraf? Ja, prima’. Cortar is knippen, calvo is kaal. Niet vergeten, bij iedere notie van ‘calvo’: heftig ontkennen. Anderzijds, niemand die het hier natuurlijk opmerkt.

Na ja, hoe dan ook, we gaan. Een echte herenkapper om de hoek. Met een oude heer als kapper, zelf een woeste haardos. Dat schept vertrouwen, beter dan die lui in het stadscentrum. Die knippen met een pet op. Inmiddels over de drempel, en de kapper kijkt me vragend aan, terwijl vlak achter mij opeens ook een andere klant opduikt. Die vindt in rap maar amicaal Spaans dat ik eerst moet, ik was immers eerst en bovenal, dan kan hij tenminste rustig de krant lezen (velen hebben hier geen abonnement – de krant lees je in de kroeg, of bij de kapper dus). Cortar dus maar, cuatro centímetros. ¿Patillas (bakkebaarden) no cambia? En zowaar, de kapper gaat aan de slag. Zwijgend weliswaar, want het knippen is hier een serieuze aangelegenheid: circa 25 minuten is hij bezig met knippen, opscheren, borstelen, scheren, ja zelfs wordt er uitgebreid geföhnd. En dat alles voor een tientje. ¡Viva España!