Kapitalistisch met kurk

‘Ooit waren dit allemaal fabrieken. Het dorp telde 24.000 inwoners en iedereen werkte in de kurkindustrie. We exporteerden naar vele landen. Omdat we aan zee liggen, ging dat handig. Maar Portugal heeft alles overgenomen. Ze zijn goedkoper. Dus nu proberen we op andere manieren geld te verdienen. Het toerisme dus.’

De fabrieken van toen zijn kunsttentoonstellingen van nu. We zijn in gesprek met de ‘suppoost’, oftewel een lange slungel die enige tijd onvindbaar is als we kaartjes willen kopen. Als hij terug is, moeten we allereerst een paar koekjes met hem eten. Deze ontspannen, ja zelfs slaperige sfeer kenmerkt het Catalaanse dorpje Palafrugell. Eens het hart van de kurkindustrie, eens florerend, maar nu is er weinig meer van over. Een klassiek kapitalistisch verhaal.

De grote oude fabriekshal is nu een tentoonstellingsruimte

We staan in de oude fabriekshal, aanvankelijk vooral op bezoek bij de expositie van onze vaste Volkskrantfotograaf Samuel Aranda. Maar al snel word ik gegrepen door de omgeving en het verhaal dat daarachter schuilt. Een grote ruimte, met daarachter op de buitenplaats allerlei oude machines met rails. Een oude opzichter, kaal maar met veel borsthaar, komt net de binnenplaats sluiten. Ik vraag waarvoor al deze machines dienden, en hoe ze werkten. Hij praat onduidelijk en bromt wat over karretjes met kurk, die verhit moesten worden. Hij zucht en loopt weg. Lunchtijd.

De opzichter komt de enige bezoeker verjagen

Niet veel later kom ik toch achter het antwoord als de kunstexpositie vervolgt in een ander gebouw. Een fraaie tentoonstelling van de fotograaf Henri Cartier-Bresson, in jawel… het kurkmuseum. Nu heb ik niet per se een levenslange passie voor kurk. Sterker nog, ik associeer kurk met oubollige creatieve handwerkjes (natuurlijk via kreatief met kurk-sketches van Arjan Ederveen). Maar als er plots een documentaire draait, blijf ik hangen en besluit te kijken. Maartje gaat de rest van de foto-exposities bekijken. Een klein uurtje later blijk ik nog steeds in het kurkmuseum te zitten.

Kurkmachines

Kurk blijkt namelijk een fascinerend product. Het is duurzaam, niet giftig, elastisch, geurloos, waterdicht, lichter dan water, warmte-isolerend, biologisch afbreekbaar, luchtdicht, kortom: best handig. Het werd al door de Romeinen gebruikt, maar neemt in Catalonië vanaf de 18e eeuw pas echt een vlucht als de champagne in Frankrijk populair wordt. Een paar handelaren zochten een kwaliteitsproduct om de flessen mee dicht te doen en kwamen uit bij de Catalaanse kurk. Een Duits-Catalaanse samenwerking tussen de twee handelaren/industriëlen Vincke en Miquel ruikt in het einde van de 19e eeuw kansen: het tweetal laat enkele fabrieken bouwen en start een kurkimperium.

En dan volgt een klassiek kapitalistisch verhaal. De handel veranderde namelijk alles: de arbeid, de gezinssituatie, het dorp, de regio, de productie. Waar voorheen enkelen zich bezighielden met kurk, biedt het product plots werkgelegenheid voor velen. In 1907 werken er al meer dan 1.000 werknemers in de kurkfabrieken van Palafrugell. Het wordt, zo getuigt ook de Economische landkaart van Spanje aan onze muur, het hoofdexportproduct van de regio.

Kurk ende Zuidvruchten, de specialistische waaren van Hispanje

Maar het werkt tegelijkertijd arbeidsspecialisatie en Verelendung in de hand. Want waar de oorspronkelijke kurkbewerkers zich thuis met alle stappen van het kurkbewerken bezighielden (het ‘schillen’ van de kurkeik, wassen, het luchten, het zagen, het drukken van vormen, en uiteraard: de verkoop), zijn ze in de fabriek de hele dag slechts bezig met één taak. De kurkstopmaker had de mooiste taak, en kon zijn werk volgens het museum combineren met het lezen van de krant, en het gezamenlijk zingen van liederen. Dit kan echter niet verhullen dat de arbeidsomstandigheden slecht waren, en als in 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbreekt valt ook nog de vraag naar kurk terug, en zo ook naar kurkwerknemers. De werkloosheid komt op en Palafrugell staakt.

In het kurkmuseum

Maar niet alleen de oorlog zorgt voor een teruglopende vraag. In de V.S., lange tijd de grootste afnemer, zorgen innovaties voor een nieuwe fase in de industriële levenscyclus van de kurk: de synthetische kurk – een kurkvervanger – doet zijn intrede. Zodoende treedt langzaam maar zeker in de twintigste eeuw het verval op: de fabrieken worden één voor één gesloten. Enkele fabrieksonderdelen, zoals bijvoorbeeld de isolatie (waar kurk ook handig voor is) scheiden zich af en richten zich op nieuwe productieprocessen. Met succes, want nu nog zijn er producenten van isolatiemateriaal in Palafrugell actief. Toen ik dit hele verhaal namelijk later in een kroeg tegen mijn Italiaanse vriend Antonio vertelde, merkte hij doodleuk op dat hij tegenwoordig in Palafrugell in de isolatie-industrie werkt.

Maar goed, die enkele nieuwe industrieën konden het stadje niet voor teloorgang behoeden. Er resteert een dorp dat bestaat uit twee elementen. Het eerste is nostalgie. De documentaire in het kurkmuseum, ondersteund door melodramatische strijkorkesten, laat een paar ouderen aan het woord, waaronder een oud-kurkendrukster: ‘Toen ik in de fabriek werkte, was ik gelukkig, ik deed wat. Nu niet meer. Ik zou zo graag jong zijn en terug gaan naar de fabriek.’ Het tweede element is dus het toerisme. De reddingsboei voor elk dorp in Spanje dat haar industrie verliest. Maar ook hier krijg ik de indruk dat de enkele goedbedoelde kunsttentoonstelling niet de welvaart van weleer kan terugbrengen. Misschien het meest zichtbare bewijs daarvan is onze suppoost, die na ons een uur lang niemand meer binnen hoeft te laten en zodoende langzaam in slaap is gesukkeld.

Palafrugell, een dorpje in het niets, met een oude kurkindustrie waar menigeen niet direct geïnteresseerd in zal zijn. Voor mij staat het echter voor iets groters. Voor de economische cycli van nieuwe producten en de mechanisering van de productie, die voor de gewone man direct resulteert in een vervreemding van zijn dagelijkse arbeid. Voor langzame (vakbonds)strijd om de arbeidsomstandigheden te verbeteren en een rechtvaardig deel van de winst op te strijken. Van Schumpeters creatieve destructie, waarbij innovaties oude productieprocessen in één klap overbodig maken. En van goedbedoelde, maar soms ook weinig effectieve overheidsmaatregelen om een verloren regio toch weer nieuw leven in te blazen. Allemaal te zien in één kurkmuseum.

Praktische informatie:

Kurkmuseum Palafrugell, c/ Tarongeta 31, Palafrugell, Catalonië. Entree €3. Open: iedere dag van 10.00-13.30 en 17.00-20.30. Buiten het zomerseizoen (15 juni-15 september) alleen in de namiddag open, en op maandag gesloten.

 

Eén gedachte over “Kapitalistisch met kurk”

  1. Leuk artikel over de Catalaanse kurk en we hebben hartelijk gelachen bij het zien van de foto met de slapende suppoost 🙂
    In Italië zagen wij jarengeleden voor het eerst de kurkeik en de fabrieken, terwijl we niets van de herkomst van kurk wisten, kwamen ‘m daar op vakantie ‘toevallig’ tegen.
    Inderdaad zien we hier (jammer genoeg) ook de opmars van synthetische kurk. Maar ….. toch liever deze dan een schroefdop op een wijnfles 😉

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.